Schoep

Organisatieadvies     Interim & Projectmanagement
 

Home

Blog

Profiel

Organisatieadvies

Management

Publicaties

Referenties

Contact

 
 

Bloggen is geen sinecure

Ik werd er voor gewaarschuwd toen ik eraan begon: heel regelmatig verversen. Steeds opnieuw iets schrijven anders haken mensen af. Ja, dacht ik, dat snap ik en dat gaat me lukken ook. Het is niet mijn sterkste kant, discipline, dat weet ik. Maar als ik niet te hoge eisen stelde moest het toch lukken. Het hoeven niet steeds wetenschappelijk verantwoorde stukken te zijn. Maar ook geen onzinteksten. Dat past per slot niet bij een organisatieadviseur die serieus genomen wil worden. Ik blijk mezelf toch nog slechter te kennen dan ik dacht.

Laatst moest ik mijzelf voor een grote groep mensen voorstellen. Ik werd benoemd als voorzitter en dan wil iedereen toch weten wie dat is die de hamer gaat hanteren en hen extern gaat vertegenwoordigen. Toen zei ik al -half grappend en denken aan Koot & Bie- dat ik nog steeds op zoek ben en steeds weer hoop iets nieuws aan mijzelf te ontdekken. Bij het handen schudden werd mij duidelijk dat ik niet de enige ben die nog steeds zoekt.

Het lijkt er langzamerhand echter op dat ik niet zoveel nieuws over mijzelf ontdek, maar dat mijn zelfkennis slechts langzaam tot een bepaald bewustzijnsniveau doordringt. Het nieuwe is dan dat de mist een beetje optrekt en ik heel even mijzelf wat scherper zie.

Dat gebeurde mij ook toen ik een telefoonnummer van een oom wilde opzoeken en op mijn achternaam googlede. Tot mijn verrassing stond dit weblog bovenaan in de resultaten. Ik kon de verleiding niet weerstaan om weer eens te kijken en ontdekte (alsof ik dat niet wist) dat ik het weblog al bijna tweeënhalf jaar niet had bijgewerkt. Mijn werkgever die in de herfst van 2009 failliet ging, stond nog pontificaal vermeld. Het laatste blog dateerde ook van november 2009.

Een blog moet je bijhouden. Dat weet ik wel. Ik doe dat niet en weet ook wel hoe dat komt. Gebrek aan discipline en te hoge eisen. Ik heb het mezelf toch te moeilijk gemaakt en heb nog verschillende blogs onaf op de laptop of PC staan. Niet fijn om zo in de spiegel kijken en het is zulk droog en warm weer: hij beslaat niet. Regen en mist, daar zou nu iedereen veel blijer van worden.

10 mei 2011

 

Pentascope nummer 1 adviesbureau prijs/kwaliteitverhouding in MT100

Pentascope is in de jaarlijkse Management Team 100 geëindigd als nummer 1 van de management- en organisatieadviesbureaus in de prijs/kwaliteitverhouding van haar dienstverlening. Op het onderdeel budgetbewaking staat Pentascope op een eervolle 2de plaats.

Maar liefst 84% van onze klanten geeft aan tevreden te zijn over onze dienstverlening en 11% noemt onze dienstverlening uitstekend. Met deze score loopt Pentascope voor op bureaus als GITP, Berenschot en Twynstra Gudde.

In de huidige recessie willen veel organisaties op efficiënte wijze cultuurveranderingen en procesoptimalisaties realiseren. Onze hoge scores op prijs/kwaliteit en budgetbewaking zijn in dit kader van grote waarde. Daarnaast waarderen de MT100-deelnemers Pentascope om ‘de tijdsplanning en de onafhankelijkheid van het advies'. Qua totaalscore is Pentascope dit jaar gestegen naar de 8ste plaats in de Management Team 100.

Bekijk de totaalscore, de profielen van de bedrijven of het gehele artikel. Meer informatie over het onderzoek is te vinden op www.mt.nl. U kunt ook de hele editie van het MT100 online lezen.

3 december 2009

 

 

Kerken veranderen

Soms valt het wel heel erg op dat ook onze kerken veranderen. Dan heb ik het niet over de leegloop, maar wel degelijk over vorm en inhoud. Artikelen over en discussies met ds. Klaas Hendrikse over zijn boek ‘Geloven in een God die niet bestaat’ roepen veel minder emoties op dan vergelijkbare discussies in de beginperiode van Kuitert & co.

Ook qua vorm gebeurt er veel. De katholieke kerk voerde afgelopen jaar een kerstcampagne onder het motto ‘welkom thuis’, waarbij allerlei multimediale middelen worden ingezet. Ook mijn eigen protestantse wijkgemeente gaat mee met de tijd. Sinds enige tijd hoef je geen ‘liedboek’ meer mee te nemen, het hele ‘programma’ inclusief de liedteksten worden geprojecteerd met beamers. Dit levert allerlei nieuwe mogelijkheden op die door de  predikanten naar hartelust worden benut.

De katholieke kerken hadden - voor de protestanten er een eind aan maakten - ook heel wat te zien in de kerk. Dat was prettig voor wie het Latijn niet kon volgen of om andere redenen zijn gedachten af liet dwalen. Maar eindelijk valt er in de protestantse kerken weer wat te zien tijdens de kerkdienst. De beeldenstorm is nu toch echt verleden tijd. 

Onlangs werd het thema van een dienst in onze kerk verluchtigd met een prent van Escher, 'de ontmoeting'. Het verhaal van Jozef stond centraal, de allochtoon die goed inburgerde in Egypte en het ver schopte en tot grootvizier werd benoemd. Onwillekeurig moest ik aan Obama denken. Ook een groot leider van 'allochtone' afkomst waar zo’n beetje iedereen reikhalzend naar heeft uitgezien. Zou de hype die we hebben gehad rond het 'zoeken naar Jozef' ook iets te maken hebben met onze hang naar grote leiders? U merkt, mijn gedachten dwaalden af.

18 november 2009

 

 

Stop met coachen, begin met sturen

Veel organisaties in de gehandicaptenzorg, ouderenzorg en GGZ hebben de laatste jaren geïnvesteerd in coachend leidinggeven. Coachen wordt gezien als de belangrijkste leiderschapsstijl, passend bij de hedendaagse visie op zorg en organisatie. Het zorgt ervoor dat medewerkers betrokken zijn, initiatief nemen, zelf oplossingen voor problemen vinden en leren van hun ervaringen.

In de praktijk blijkt echter de coachende stijl vaak niet tot de gewenste resultaten te leiden. Medewerkers hebben vaak gewoon behoefte aan duidelijkheid en leidinggevenden zijn dikwijls niet in staat om de gewenste stijl toe te passen. Moeten we in een aantal situaties niet gewoon stoppen met coachen en weer gewoon gaan sturen?

Achtergrond van coachend leidinggeven in de zorg

De toenemende vraaggerichtheid, de wens van individuele arrangementen en de roep om een persoonlijke op ondersteuning gerichte bejegening, is voor zorginstellingen reden geweest om de visie nog eens onder de loep te nemen en de structuur, werkwijze en ondersteunende systemen aan te passen. De verantwoordelijkheden en mogelijkheden om zorgprocessen te sturen worden ‘laag’ in de organisatie gelegd, bij de medewerkers die de zorg en ondersteuning aan de cliënten bieden. Die ontwikkeling is op verschillende manieren in de organisatie zichtbaar geworden. Om de gewenste flexibiliteit te realiseren en ondernemerschap de ruimte te geven, is gekozen voor platte structuren en integraal management. Daarbij horen ook zelfstandige en taakvolwassen teams en medewerkers die zelf problemen kunnen oplossen, initiatief kunnen nemen, kunnen leren van hun ervaringen. Ook met het invoeren van ondersteunings-, zorg- of verpleegplannen en het werken met contactverzorgenden, EVV-ers of persoonlijk begeleiders komen verantwoordelijkheden lager in de organisatie te liggen. De nieuwe zorgvisie nodigt uit tot een andere stijl van omgaan met cliënten: gelijkwaardig, met aandacht, ondersteunend en zorg bieden waar dat gevraagd is, maar tegelijk gericht op het behouden, benutten en waar eventueel aanleren en ontwikkelen van vaardigheden die de eigen regie door de cliënt mogelijk maken. Deze stijl vraagt om een pendant in de manier waarop de organisatie met haar eigen medewerkers omgaat. Deze lijkt gevonden in ‘coachend leidinggeven’.

 

Coachend leidinggeven, waar gaat dat over?

Coachend leidinggeven en resultaatgerichtheid gaan hand in hand. Een resultaatgerichte leidinggevende stelt doelen en probeert deze met zijn medewerkers te halen. Daarvoor maakt hij afspraken met zijn medewerkers en hij bewaakt deze. Coachend leidinggeven is niet alleen gericht op het behalen van resultaten in het werk, maar ook op een manier om dit zo te doen dat de medewerkers ‘leren’ en hun prestaties verbeteren. Medewerkers leren hoe ze zelf problemen kunnen oplossen, worden gestimuleerd om initiatief te nemen en leren van hun ervaringen. De bedoeling is dat het leidt tot meer betrokkenheid, zelfstandigheid en resultaatgerichtheid. De leidinggevende gebruikt minder machts- en controlemiddelen en stuurt vooral op resultaat. Coachen in pure vorm is in feite een begeleidingsmethodiek bedoeld om te ‘leren’ door het stimuleren van een ervaringscyclus. Bij de methodiek hoort het stellen van de juiste vragen, het motiveren van de gecoachte persoon en het geven van feedback.

 

Waarom blijft succes zo vaak uit?

Er wordt veel lippendienst bewezen aan coachend leidinggeven, maar medewerkers ervaren hun leidinggevenden vaak niet als ondersteunend. Deels heeft dat te maken met de vaardigheden van leidinggevenden. Daar worden hoge eisen aan gesteld omdat zij per definitie in een lastige positie verkeren om te coachen, om het gevoel van gelijkwaardigheid en veiligheid te creëren in een hiërarchische relatie waarin ook beoordeling plaats vindt. Daarnaast heeft de ‘verplatting’ van veel organisaties geleid tot een forse ‘span of control’ en grotere afstand van leidinggevenden. Van coachen komt dan meestal niet veel meer terecht. Zo’n structuurverandering is vaak ook sneller uitgevoerd dan de ontwikkeling van de organisatie feitelijk toelaat. Teams beschikken dan nog niet over de noodzakelijke zelfstandigheid, met het risico dat teams en medewerkers gaan zwemmen en in toenemende mate weerstand opbouwen tegen de ‘managementcultuur’. Ook het veel geconstateerde gebrek aan continuïteit in teams helpt niet mee om een leerproces op gang te brengen.

 

Wat dan wel? Verbindend leiderschap

De oplossing moet gevonden in het combineren van verschillende typen leidinggevend gedrag. Er is behoefte aan leiderschap op visie en inhoud en die richting geeft en vernieuwd. Maar dat werkt alleen wanneer de leidinggevende in dialoog is met de medewerkers. Hoewel coachen in eigenlijke zin lastig is in een hiërarchische relatie, maakt de leidinggevende in die dialoog gebruik van veel technieken die ook door een coach worden ingezet. We hebben het daarom over een coachende stijl. Er zijn echter omstandigheden waaronder voor sommige resultaatgebieden meer sturing nodig is. ‘Verbindend leiderschap’ is in staat verschillende stijlen te hanteren waarin de coachende stijl en het sturen wordt gecombineerd.

De vraag is dan hoe je bepaalt welke stijl je voor de diverse resultaatgebieden en de verschillende teams en individuele medewerkers moet hanteren. Voor die keuze biedt ‘Situationeel leidinggeven’ aanknopingspunten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen leidinggevend gedrag dat is gericht op het ‘wat, wanneer en hoe’ van de werkzaamheden (taakgericht) en het gedrag gericht op het ondersteunen en motiveren van medewerkers, het helpen reflecteren en geven van feedback (relatiegericht). Beide vormen van gedrag kunnen door de leidinggevende in meerdere of mindere mate worden ingezet. Dat leidt grofweg tot de vier leidinggevende stijlen die in de afbeelding zijn weergegeven. Het bekende model van Hersey & Blanchard wekt echter ten onrechte de suggestie dat in de meest sturende stijl – de instruerende stijl – weinig ondersteuning of relatiegericht gedrag nodig of gewenst is. Daar denken wij anders over en, zoals wij al stelden, sturen bij zorgprofessionals werkt alleen wanneer er ook een dialoog plaatsvindt, wanneer sturen plaatsvindt in combinatie met een coachende stijl.

Bij de keuze voor een stijl draait het om de taakvolwassenheid van de medewerker of het team. Hoe minder taakvolwassen, hoe meer sturing de leidinggevende moet geven. De leidinggevende beoordeelt de medewerker daarvoor op twee punten: - Is de medewerker sterk of zwak gemotiveerd? - Is hij bekwaam of niet bekwaam? De keuze voor een stijl is niet een keuze voor altijd. We willen dat teams en individuele medewerkers leren, dus dat hun ‘taakvolwassenheid’ in de loop van de tijd toeneemt. De leidinggevende zal zijn stijl daarom in de loop der tijd aan moeten passen. Er is dus een glijdende schaal van sturen en coachen, van vasthouden en steeds meer loslaten.

Tenslotte moeten we ons realiseren dat de genoemde veranderingen buiten en binnen de zorgorganisaties, aan medewerkers nieuwe eisen stellen en zelfs tot relatief nieuwe resultaatgebieden leiden. Dat levert vanzelfsprekend situaties op waarin motivatie onder druk staat en zeker nieuwe bekwaamheden ontwikkeld moeten worden. De beoordeling van taakvolwassenheid kan op de verschillende resultaatgebieden dan ook anders uitpakken. De leidinggevende zal op het ene gebied meer kunnen coachen en op het andere constateren dat een coachende stijl alleen vaak onvoldoende is. Medewerkers willen van hun leidinggevende ook duidelijkheid. Op een aantal resultaatgebieden zal de organisatie ook eenduidigheid willen. Dan is sturen geboden. Sturen met een visie die vertaald wordt in concrete oplossingen geeft richting en houdt medewerkers betrokken. Heldere kaders geven de ruimte om steeds meer initiatief te nemen en eigen oplossingen te vinden. Dat geeft de resultaten die cliënten willen, die stakeholders willen en waarvoor managers en medewerkers zich dagelijks inzetten.

16 februari 2009

 

Recept voor blije baby’s en selectie van goede werknemers

De University of York – zelf nog een baby onder de Engelse universiteiten - heeft aangetoond dat vrouwen die tijdens de zwangerschap stoppen met roken, blijere baby’s hebben dan vrouwen die blijven roken. De onderzoekster heeft 18.000 baby’s gevolgd en constateert dat de baby’s beter gehumeurd zijn dan de baby’s van ‘pregnancy smokers’.

 

Leuk nieuws natuurlijk voor de dames die in staat zijn om te stoppen. Op zich is dat al een daad die bewondering afdwingt, immers roken is een van de meest verslavende middelen die we kennen. Je vraagt je af of die baby’s nu blijer worden omdat de trots en het zelfvertrouwen van de moeders door deze prestatie groeit, of dat er een andere oorzaak is. Volgens de berichtgeving in de nieuwsbrief van Zorgvisie en GezondheidsNet.nl is er een veel fundamentelere oorzaak: een samenhang met het karakter van de moeder. De stoppende moeders zijn namelijk ook opgewekter, zitten vaker in een stabiele relatie en hebben minder vaak een moeilijke levensgeschiedenis.

 

Nu is het me al eerder opgevallen dat veel medewerkers in de gezondheidszorg niet alleen vrouw zijn, maar ook roken. Aan de checklist voor de selectie van nieuw personeel of voor loopbaantrajecten zou ik nu dan ook onmiddellijk de vraag toevoegen: ‘bent u tijdens uw zwangerschap(pen) ook gestopt met roken?’ Niet alleen wordt het met al die stoppers veel vrolijker op het werk, maar naar verwachting zal ook de bejegening van patiënten / cliënten er van profiteren en de samenwerking verbeteren. Uit het originele bericht van Reuters blijkt namelijk dat de met roken stoppende zwangeren meer sociale vaardigheden hebben, minder antisociaal gedrag vertonen en beter in staat zijn om gemeenschappelijke middelen te benutten. Moeder blij, baby blij, patiënt blij, collega blij, manager blij…iedereen blij.

 

Die aparte rookruimtes moet ook na stringente selectie overigens wel blijven. Want het stoppen met roken blijkt meestal alleen voor de duur van de zwangerschap te zijn. De moeders-medewerkers blijven dus ‘blije rokers’.

 

Het longitudinale onderzoek loopt nog wel een aantal jaar. Wie weet wat voor praktische tips dit nog meer gaat opleveren. We blijven het voor u volgen!

19 maart 2008

 

Liefde volgens protocol

Heeft u al beleid gemaakt over relaties binnen de organisatie? Enkele weken geleden kreeg ik een berichtje onder ogen over een wijziging in het management van een zorgorganisatie onder verwijzing naar het beleid van de organisatie ‘inzake de vermenging van privé- en werkrelaties’. U kent waarschijnlijk zelf ook wel wat casuïstiek over deze ‘gewenste intimiteit’. In dit soort gevallen gaat het dan niet om relaties tussen medewerkers en cliënten – waar ook met enige regelmaat wat om te doen is – maar om relaties tussen medewerkers onderling.

 

De laatste jaren is daar ook wat anecdotisch onderzoek over beschikbaar gekomen. [1] Cijfers komen meestal uit amusant onderzoek door tijdschriften. Daaruit blijkt dat in ons land zo’n 40% weleens een relatie heeft gehad binnen het bedrijf, in Brazilië 60% en in het Verenigd Koninkrijk zou het zelfs om zo’n 70% gaan. Zolang de relatie goed gaat is er meestal niet zo’n probleem, maar volgens de Belgische hoogleraar Lievens mislukt bijna driekwart van de romances die op de werkvloer ontstaan en dat is vaak niet bevorderlijk voor de werksfeer.

 

All in the family

Het is dan ook niet zo vreemd dat werkgevers de liefde tussen werknemers vaak ongewenst vinden, of wel? Wij zijn eraan gewend dat we ons brood, onze groente en ons vlees halen in zaken die gerund worden door een familie. Binnen het MKB is het familiebedrijf de meest voorkomende vorm. Maar ook grotere bedrijven zijn vaak familiebedrijven. Zij zijn verantwoordelijk voor bijna de helft van ons bruto nationaal product en voor een groot deel van onze werkgelegenheid. Ook de zorgsector is niet onbekend met het fenomeen familiebedrijven. In mijn eigen praktijk als adviseur heb ik kunnen ervaren hoe emoties en verschillende belangen een negatief effect kunnen hebben op de bedrijfsvoering in familiebedrijven.

 

Maar er zijn niet alleen negatieve effecten, een relatie kan ook een positieve uitwerking hebben op motivatie en productiviteit. Sommige bedrijven schijnen er zelfs min of meer prat op te gaan dat er zoveel stelletjes zijn ontstaan. Zij zien dat als een teken van de goede verhoudingen binnen de organisatie.

 

Liefdescontract

Als we de publiciteit van de afgelopen weken mogen geloven is het ‘liefdescontract’ binnen organisaties in opkomst. Dit contract is een paragraaf in het arbeidscontract waarin de werknemer zich verplicht een relatie te melden en er zorg voor te dragen dat de verhouding het professionele gedrag niet zal beïnvloeden. Met name in de Verenigde Staten schijnt zo’n liefdescontract al heel gebruikelijk te zijn. De vonken die af en toe tussen werknemers overspringen, lijken in ons land binnen de meeste organisaties niet als zo’n groot probleem te worden ervaren dat er specifiek beleid voor wordt gemaakt. Wanneer dat beleid er wel is, dan komt het er op neer dat de ‘geliefden’ uit elkaar worden gehaald: naar een andere locatie of in ieder geval een andere afdeling.

 

Roddel

Natuurlijk kan een intieme relatie tussen twee werknemers gevolgen hebben voor de onderlinge verhoudingen binnen de organisatie. Collega’s merken snel dat de geliefden zich naar elkaar anders gedragen dan naar hen. Daardoor creëren zij vaak onbewust voor zichzelf een aparte positie en wekken bij anderen irritatie op. Wanneer de relatie dan ook nog geheim is of door hiërarchie heengaat, wordt het onderlinge vertrouwen in de groep verstoord en is een perfecte voedingsbodem gelegd voor sappige roddels.

 

Oplossing

Het formuleren van beleid met vaststaande oplossingen vind ik echter niet de best denkbare oplossing. Dit min of meer geprotocolleerd omgaan met ‘de liefde’ maakt het taboe alleen maar groter. De wetenschap overgeplaatst te worden of het perspectief van nog ingrijpender maatregelen zal bij de verliefden de neiging tot heimelijkheid vergroten en geheimhouding voedt de roddels.

 

Open gooien

Voor collega’s en leidinggevenden is het moeilijk om met de betrokkenen over hun (vermeende) relatie te praten, ook al wordt de verhouding niet alleen als privé-aangelegenheid gezien. Toch is het beter de kwestie wel bespreekbaar te maken. Zeker op het moment dat er in de wandelgangen en bij de koffie over gefluisterd wordt is het voor u als manager noodzakelijk om de zaak open te gooien. De geliefden zullen hier niet blij mee zijn en ook anderen zullen het teveel een privé-kwestie vinden, maar het voorkomt dat een sfeer van wantrouwen en achterdocht postvat. Niet alleen moet u dan met het betrokken stel het gesprek aan, maar ook moeten de collega’s geïnformeerd worden. Dat geeft duidelijkheid en maakt het tot een onderwerp waarover gewoon gesproken kan worden. ‘Openheid schept vertrouwen’, zegt professor Lievens, ‘en zorgt ervoor dat de relatie geen schande wordt.’

 

Menselijkheid

Wanneer u een protocol of een ‘liefdescontract’ opstelt, maakt u het voor de managers mogelijk om het gesprek met de geliefden en de collega’s te ontvluchten. In een open gesprek daarentegen kunt u onderzoeken in hoeverre de verhouding de relaties verstoort of het functioneren bemoeilijkt. Ook kunt u bespreken welke gedragingen wel en welke niet aanvaardbaar zijn en eventueel samen een oplossing zoeken en de afstand tussen het koppel vergroten.

Openheid en gesprek in plaats van protocollen of liefdescontracten, bevestigt de relatie die u met uw medewerkers hebt en de verbinding die u met hen aangaat. Het helpt zo de menselijkheid in uw organisatie te behouden.

 

[1] Stefan Lievens & Tine Heins (2001). Passie op de werkvloer. Leuven, Uitgeverij van Halewijck.

11 februari 2008

 

De markt en de zorg: een ´deadly combination´?

Ondernemerschap wordt in de zorgsector door velen nog altijd als iets ´vies´ gezien. Voor een deel zal dit samenhangen met het gebrek aan vertrouwen dat ´de samenleving´ heeft in het bedrijfsleven. Maar het heeft ook dieperliggende fundamentele oorzaken.

 

Het vraagstuk van vertrouwen kan volgens Strikwerda (2003) niet los gezien worden van de “algehele gegroeide crisis in de ontologische geborgenheid van de burger, van de samenleving als geheel.” Een van de elementen die deze existentiële crisis veroorzaken is volgens hem de introductie van de idee van de vrije markt in relaties tussen mensen op terreinen waar zij voorheen op andere wijze tot overeenstemming kwamen: het onderwijs en de non-profit. Binnen het marktdenken is niemand meer afhankelijk van de ander, want wat we van elkaar nodig hebben is handelswaar en kunnen we ´op de markt´ krijgen. De verdwenen afhankelijkheid leidt tot gebrek aan binding met anderen en ontneemt het gevoel nodig en nuttig te zijn en daarmee het verantwoordelijkheidsgevoel.

 

Roestend karakter

Strikwerda haalt de cultuursocioloog Richard Sennett aan, die in ´The Corrosion of Character´ stelt dat het postmoderne kapitalisme zo ook een bedreiging vormt voor de samenleving, “want een regime dat mensen geen diepe reden geeft om voor elkaar te zorgen kan niet lang zijn legitimiteit overeind houden.”

De vertrouwenscrisis kan volgens Strikwerda alleen hersteld worden wanneer er weer een evenwicht komt tussen de markt, de non-profitsector en de staat die voorwaarden creëert dat beide goed kunnen functioneren. Regels rond ´governance´ zijn onvoldoende om weer een goed gevoel te krijgen bij het bedrijfsleven of bij Maatschappelijk Ondernemen. Daarvoor moet onze democratie gedemocratiseerd worden, realistisch naar de economische werkelijkheid gekeken worden en moet een context voor ondernemingen worden gecreëerd waarbinnen ook ondernemers erop kunnen vertrouwen dat zij op basis van een ´fair deal´ kunnen ondernemen.

 

Hybride syndroom

Met zijn exposé over afhankelijkheid, binding en zingeving heeft Strikwerda ook een dieper liggend probleem aangegeven dat de weerstand tegen marktwerking en ondernemerschap kan verklaren (vgl. Otto 2002:23). De vrije markt is gebaseerd op geheel andere basisprincipes dan de samenhangende normen- en waardenpatronen waarop de besturing van zorgorganisaties tot voor kort was gebaseerd. Werkers in de zorgsector hebben meer of minder bewust gekozen voor deze ´andere wereld´ en zullen zich aangetast voelen in hun normen en waarden. De Canadese publiciste Jane Jacobs heeft in 'Systems of survival' (1992) geschreven over de verschillen tussen de cultuur van het publieke domein en die van de markt. Naar haar mening is er sprake van twee verschillende ethische systemen, die zij beschreef als ‘morele syndromen’. Het wachtersyndroom heeft te maken met het vermijden van commercie, respect voor traditie & hiërarchie, loyaliteit aan de publieke zaak en een vorm van fatalisme. Het commerciële handelssyndroom is hiervan de tegenhanger. Handel is volgens Jacobs volledig in strijd met de cultuur van het publieke domein, en de twee ethische systemen dienen in haar opvatting dan ook niet te worden vermengd, zoals in hybride organisaties.

 

Zingeving door zorg

Voor veel mensen die gekozen hebben voor werk in de zorgsector heeft de betrokkenheid op het werk ook zingevende betekenis. Zorg is een basisgegeven in het leven; niet alleen de zorg voor onszelf, maar ook de zorg voor anderen. Mensen zijn relationele wezens en ontplooien zich in en door de zorg voor anderen. “Wij krijgen betekenis – en we geven ons leven betekenis – door de zinvolle betrokkenheid bij anderen. Meestal heeft wat zin geeft aan ons leven direct of indirect te maken met wat wij voor anderen kunnen betekenen. Zorg is een belangrijke wijze van betrokken zijn bij anderen. Door te zorgen voor anderen, verbinden we ons op een positieve wijze met het leven rondom ons. Juist deze binding geeft zin” (Gastmans & Vanlaere 2005:19/20). Professionals in de zorg die klagen over het gebrek aan tijd voor de cliënt, klagen in feite over het gebrek aan mogelijkheden om hun leven zin te geven.

 

Bruggen slaan

De afgelopen jaren is de invloed van bedrijfsmatige manieren van managen en werken in de zorgsector sterk toegenomen. Met de onvermijdelijke toepassing van het daarbij behorende instrumentarium van strategisch en prestatiemanagement, budgettering, personeelsevaluatie, benchmarking, kwaliteitsmanagement, registraties e.d. Daarnaast hebben de analyses van de tekortkomingen van de zorgsector geleid tot bureaucratische procedures voor de toegang tot de zorg en het afleggen van verantwoording om greep te krijgen op prestaties. Door vele werkers in de zorg wordt dit beschouwd als ‘geïnstitutionaliseerd wantrouwen’. De professionals ervaren vaak een grote afstand met het topmanagement – de ‘strategische kloof’ – maar ook met het middenmanagement. Het management is vaak niet in staat om de brug te slaan tussen organisatiebeleid en bedrijfsmatige eisen, mogelijkheden en beperkingen enerzijds en de professionele waarden en werkwijzen anderzijds. Wanneer professionals het gevoel krijgen dat de managers de zorgverlening als bedrijf benaderen – met termen als product, klant en markt – wordt het voor de managers lastig om nog effectief invloed uit te oefenen. Hun formele macht is misschien groot, maar hun werkelijke macht is gering.

 

Er is hoop: ondernemerschap met professionals

Zo zal ook ondernemerschap in de zorg alleen dan succesvol kunnen zijn, wanneer de professionals de binding blijven ervaren en in staat worden gesteld om betrokkenheid te tonen bij degene aan wie de zorg wordt verleend. Managers c.q. zorgondernemers zullen zich moeten blijven realiseren dat zij in belangrijke mate afhankelijk zijn van professionals en hun individuele kennis en dat zij een opdracht hebben om de verschillende werelden en belangen te integreren. Het ondernemerschap zal aan moeten sluiten bij de professionals en zelfs deels door hen moeten worden gedaan.

 

De inhoudelijke verbinding tussen beide werelden - die van de professionals en die van de ondernemers/managers – kan gevonden worden in het centraal stellen van de behoeften van de klant. Met de ‘klant’ wordt dan de hulpvrager, cliënt of patiënt bedoeld. Immers vanuit beide benaderingen wordt gezocht naar manieren om aan deze behoeften tegemoet te komen. Een integrerende definitie van deze behoeften – meer holistisch dan die van de medische professie en meer fundamenteel zorginhoudelijk dan die van de managers – kan de gedrevenheid van manager en hulpverlener in één stroom samenbrengen.

 

Literatuur

  • Gastmans, C. & L. Vanlaere (2005). Cirkels van zorg – Ethisch omgaan met ouderen. Uitgeverij Ten Have, Kampen.

  • Otto, M.M. (2002). Pluriform kijken naar organisaties (In: Van den Oever & Otto (red.) Organisatiediagnostiek – betekenis geven aan gedrag in organisaties´. Kluwer.)

  • Porter, M.E. & E. Olmsted Teisberg (2006a). Redefining Health Care: Creating Value Based Competition on Results. Harvard Business School Press.

  • Putters, dr. K. (2001). Geboeid ondernemen - Een studie naar het management in de Nederlandse ziekenhuiszorg. Van Gorcum, Assen.

  • Strikwerda, Prof. dr. J. (2003). Nieuw spel, nieuwe regels voor ondernemen. Lezing BIG congres, Groningen.

22 oktober 2007

 

Kwaliteit in de zorg is niet altijd kwaliteit van zorg

De afgelopen dagen was er veel commotie over een onderzoek van de Plexus Medical Group, waarin werd geconstateerd dat kwaliteitskeurmerken niet leiden tot betere zorg. De inspectie Gezondheidszorg (IGZ) is het helemaal met Plexus eens: de huidige kwaliteitssystemen in de Nederlandse zorg zijn gericht op processen en structuren, "maar systemen leiden nog niet per definitie tot betere zorg voor de patiënten", aldus de inspectie in De Volkskrant.

 

Misschien zit in dat laatste woord van het citaat wel een van de belangrijkste kernpunten waar het nieuwe debat over kwaliteitszorg om draait: de inspectie kijkt met een medische blik naar de kwaliteit van zorg. Vanuit dat perspectief is ook de aandacht voor (m.n. medische) uitkomsten in plaats van voor processen verklaarbaar. Het is dan ook niet vreemd dat met deze bril op gepleit wordt voor het afschaffen van (verplichte) certificering van de bestaande kwaliteitssystemen. Plexus (ook al een bureau dat ´kwaliteit´ vanuit de medische invalshoek benadert) en IGZ pleiten verder voor een ´kwaliteitsaccountant´ die de betrouwbaarheid van de door een zorgorganisatie geleverde ´kwaliteitscijfers´ moet toetsen. Degenen die kwaliteitssystemen als georganiseerd wantrouwen beschouwen, krijgen zo toch gelijk.

 

Kwaliteitssystemen en kwaliteitsproblemen

De huidige kwaliteitssystemen in de zorgsector - ik ken met name de in de ´care´ gangbare systemen - hebben inderdaad veel aandacht voor de organisatie van de zorg en de wijze waarop processen zijn ingericht en geborgd. De zorgsector is een sector waarin overheid en professionals ieder vanuit eigen perspectief allerlei afspraken hebben gemaakt die kwaliteit, toegankelijkheid, transparantie en betaalbaarheid van de te leveren zorg moeten garanderen. Vele van deze afspraken zijn omgezet in wetten, regels en procedures die de ´vulling´ vormen van de kwaliteitssystemen. De afgelopen jaren hebben we gezien dat deze wettelijke en professionele normen onvoldoende zijn om een bepaalde kwaliteit te garanderen en liep Nederland te hoop over ondervoeding van cliënten, over verdrogingsverschijnselen tijdens hitteperioden, over fixatie van cliënten en over pyjamadagen. De roep om minimumnormen voor de kwaliteit van zorg - uitkomstnormen - was dan ook niet vreemd.

 

Cliënten willen procesmanagement

In dezelfde periode is de positie van de cliënten versterkt en hun roep om eigen regie heeft nadrukkelijker aandacht gekregen. De vraag om regie stelt eisen aan de structuren en de procesgang in de zorg. In de kwaliteitssystemen wordt dan ook nadrukkelijk aandacht gegeven aan de wijze waarop in overleg en met instemming van de cliënt de zorg wordt gepland en geleverd. Wanneer je het aan cliënten vraagt, gaat het bij ´kwaliteit van zorg´ met name om die regie en om de bejegening. Beoordeling van zorginhoud is vaak voor hen nog niet mogelijk, dat is het terrein van de (medische) professional.

 

Naar mijn mening is kwaliteitsmanagement een brede, allesomvattende managementbenadering. Kwaliteitssystemen helpen de manager bij het sturen van de zorginhoudelijke en bedrijfskundige processen binnen de organisatie, maar leggen daarbij het accent op één punt: de kwaliteit. Deze sturing van processen is van belang voor het realiseren van continuïteit, voor het adequaat reageren op afwijkingen, voor het behalen van doelstellingen, etc. Wanneer de manager echter niet stuurt, helpt geen enkel systeem.

 

Normen verantwoorde zorg en HKZ

Plexus en de inspectie hebben dus ten dele gelijk dat de huidige kwaliteitssystemen niet gericht zijn op uitkomsten - tegenwoordig heeft men het dan in mooi Nederlands over systemen die niet ´performance-based´ zijn. Het onderzoek van Plexus was gericht op de effecten van de vorig jaar in verpleeg- en verzorgingssector (TV&V) ingevoerde ´normen verantwoorde zorg´, waarbij het nadrukkelijk wel gaat over uitkomsten rond duidelijk geformuleerde zorgproblemen zoals: ondervoeding, depressie, psychofarmacagebruik, incontinentie, decubitus, probleemgedrag, fixatie, valincidenten en medicijnincidenten.

 

Juist deze normen zijn het afgelopen jaar echter onderdeel geworden van het nieuwe normenstelsel van het bekendste keurmerk voor de thuiszorg en de verpleging en verzorging: HKZ-TV&V (Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling Zorgsector). Bij de certificering wordt er alleen nog niet op getoetst.

 

Proces èn uitkomst

Dat toetsen op uitkomsten is een kwestie van tijd, maar die wordt de zorgsector vaak niet gegund. In een tijd waarin de overheid wil terug treden neemt de controle hand over hand toe en pleiten we dus maar voor een ´kwaliteitsaccountant´. De verzorgenden en verpleegkundigen - die volgens het rapport van Plexus enthousiast zijn over de uitkomstindicatoren en de metingen, "eindelijk vragen en onderwerpen die er echt toe doen” - zullen over dit soort controle die er ook weer ´bij komt´, minder hard juichen. Per slot blijken ze ook volgens Plexus pas echt enthousiast te blijven als er een structureel verbeterproces in gang wordt gezet: “Na de meetweek bleef het angstig stil en denk je waar hebben we het allemaal voor gedaan”. En precies over dit soort zaken gaan nu die vermaledijde structuur en procesgerichte kwaliteitssystemen.

1 juli 2007

 

Experiment Nederland

Zoals gebruikelijk in de auto, luisterde ik gisterochtend ook weer naar Radio 1. Daar viel ik midden in een discussie waarin het woord ‘preferendum’ regelmatig viel. D’66 leider Pechtold wordt genoemd als geestelijk vader van het preferendum. Dat is een variant op het referendum, waarbij het niet zozeer gaat om ja of nee zeggen tegen een besluit of voorstel, maar om het uitspreken van een voorkeur tussen een aantal varianten.

 

In Arnhem wordt zo’n preferendum gehouden over de aanleg van een haven. Je kunt geen nee zeggen, maar als je gaat stemmen moet je kiezen tussen een lange haven, een korte en een haven met een sluis. Tegenstanders van het preferendum noemen dat niet democratisch. Het besluit dàt er een haven moet komen is dan immers al genomen.

 

Europese grondwet

Voor zover ik het onderwerp op de radio nog kon volgen, ging het over de vraag of er over de nieuwe Europese ‘grondwet’ in de komende tweede instantie ook een preferendum gehouden moet worden. Dat zou moeten gaan over de vraag welke onderwerpen in de grondwet aan de orde moeten komen of in de onderhandelingen door onze vertegenwoordigers in Europa aan de orde moeten worden gesteld. Welke van deze twee insteken het zou zijn is mij niet duidelijk geworden. Wel dat veel luisteraars vonden dat ze in de val waren gelokt, toen de verslaggever ze wat keuzemogelijkheden had voorgehouden en na het antwoord mededeelde dat ze nu in ieder geval vóór stemden.

 

Bang voor China

Nu is het natuurlijk de vraag of we eigenlijk nog wel een reële keuze hebben, als het gaat om de Europese grondwet. Kan Nederland het zich veroorloven om voor een tweede keer nee te zeggen? Wat voor consequenties zal dat allemaal wel niet hebben? Volgens de meeste commentatoren en politici die zich over dit onderwerp roeren is een ‘nee’ slecht voor ons land. We zetten ons in Europa dan helemaal buitenspel en dat kunnen we niet gebruiken. Allerlei doemscenario’s rond internationale economische ontwikkeling en concurrentie, het ‘gele gevaar’, groeiende werkloosheid, internationaal terrorisme, asielzoekers e.d. passeren de revue. Er wordt flink op de angstreflex ingespeeld, maar een degelijke analyse van onze positie en de gevolgen daarvan heb ik nog niet gehoord.

 

De burger serieus nemen

Ik heb de vorige keer vóór de grondwet gestemd en zou dat nu weer doen, maar toch ben ik ook voor het uitwerken van scenario’s voor een geïsoleerd Nederland. Angst voor een geïsoleerde positie is de Nederlandse burger moeilijk aan te praten, denk ik. Het zou wel eens averechts kunnen werken en is in ieder geval een slechte raadgever. Scenario’s voorhouden neemt de burger serieus, geeft hem inzicht in de te maken afwegingen en kan het vertrouwen versterken in politieke besluitvorming. Worden wij een plat Zwitserland aan de Noordzee? Wat houdt dat dan in en is dat erg? Opeens krijg ik een visioen, het is nog geen uitgewerkt scenario, maar het realiteitsgehalte is hoog.

 

Visionair

Naar het schijnt wordt een groot – het grootste – deel van onze wetgeving in Brussel en Straatsburg gemaakt. Stel nu dat wij in ons polder-, moeras- en zandland het weer allemaal zelf moeten gaan doen. Dat zou toch minstens betekenen dat wij een heleboel ambtenaren meer nodig hebben om al die stapels papier te produceren en de uitvoering van ons puur Nederlands beleid te controleren. Omdat ook hier schaaleffecten een rol spelen, zullen de ‘overheadkosten’ voor deze overheid de pan uitrijzen. Het blijkt daarom nodig een andere besturingsfilosofie en –stijl te introduceren. Meer kaderwetgeving, meer verantwoordelijkheid naar de regio’s, minder onbestuurbare ZBO’s, meer ruimte voor het vernieuwde ‘middenveld’ en een minder op beheersing gerichte volksvertegenwoordiging. Alloch- en autochtonen zetten gezamenlijk de schouders eronder, want de uit het buitenland geïmporteerde ondernemingsgeest blijkt wonderwel aan te sluiten bij de toenemende individualiteit van de autochtone jongeren.

 

De Goeroe

Langzamerhand wordt Nederland in Europa een soort experimentele vrijzone waar de maatschappelijke en economische dynamiek allerlei buitenlandse delegaties aantrekt die het wonder van de ’vierde weg’ komen aanschouwen. Jan Peter Balkenende schrijft al tijdens zijn vijfde kabinetsperiode zijn memoires en trekt de wereld over om lezingen te houden: Nederland is één groot zelfsturend team geworden en JP heeft tijd over. Waar hij komt haalt hij herinneringen op aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Door het ‘Experiment Nederland’ is de VOC-mentaliteit weer (bijna) helemaal terug.

 

Ik stem geloof ik toch maar ‘nee’.

7 juni 2007